Faffie, bitches.
Deze avond was ik op mijn nichtjes aan het passen. Na de Sunday Times te hebben versleten, mezelf intellectueel te hebben bevonden door programma's als Netwerk te volgen en daar instemmend bij te knikken, besloot ik maar eens mijn laptop aan te zetten. Wat er toen gebeurde is de tekst hieronder.
Het onuitstaanbare, afschuwelijk schrille geluid van de deurbel galmde door de lege straat. Op het moment waar de mensheid finaal was overgegaan tot devolutie, hadden naamloze vennootschappen die gelegenheid aangegrepen om tot het produceren van elektrische deurbellen over te gaan. Want ja, waarom een doodgewone deurbel, als je jezelf ook audiovisueel kan laten verkrachten door zijn elektrische tegenhanger?Oeh, een cliffhanger! Jawel.
De schemerzone achter de deur was tot een waas verheven door het matte glas. De man op de stoep onderscheidde desondanks beweging aan de binnenkant van de deur. “Ah,” zei hij hardop, alsof het zo geweldig was dat er open werd gedaan dat het ethisch verplicht was om uit tevredenheid een expressieve kreet in die trant te slaken.
Na het krakkemikkige openen van de deur toonde een man zich aan de verduisterde buitenwereld. Zijn suggestief halfopenhangende badjas deed de buitenwereld vermoeden dat er zich binnen wel eens hele interessante dingen zouden kunnen afspelen. Maar evengoed was zo’n detail op het laatste moment bewust door de man zelf nagebootst, om bij diezelfde buitenwereld maar de illusie te wekken dat zijn leven wel degelijk gevuld was met dingen waarbij je badjas potentieel half open hangt en ook, jawel, om 7 over 12 ’s nachts.
“Ja?” vroeg de man in badjas zonder enige noemenswaardige lichaamstaal. Dit achtte de aanbellende man een correct moment om een stap naar voren te zetten en zonder waarschuwing zijn hand uit te steken.
“Niels, aangenaam.” De man in de deuropening wierp een onthutste blik op de uitgestoken hand, alsof het een zwevende, vieze salamander was. Hij opende zijn mond, maar een antwoord bleef tot nu toe uit.
“Ik ben hier,” ging Niels daarom maar verder, “voor uw kat. Ik heb uw kat gevonden.”
Bij het vallen van het woord kat besloot de man in badjas dat hij dan maar moest antwoorden, potverdorie nog aan toe. Dit was op te maken aan zijn wenkbrauwen, die op het moment dat het eerder vermelde woord werd uitgesproken onmiddellijk een andere positie op de kalende kruin van hun gastheer aannamen.
“Ik heb geen kat.”
Niels deed een kort, vriendelijk knikje. Kenners zouden dit knikje herkennen als gelijkend aan het gebaar dat topschakers wel eens maken wanneer hun tegenstander een slechte, maar begrijpelijke zet doet.
“Nee, dat klopt. Ik heb uw kat. En bij deze kom ik hem aan u overhandigen.”
“Luister,” zei de man, zichtbaar naar woorden zoekend, “Niels. Luister, Niels. Dit is een misverstand. Het spijt me. Ik heb geen kat, en ik hoef er ook niet een.”
(Waarom al mijn gedachten zijn terug te voeren tot het onderwerp katten, is mij ook een raadsel, ja.)
Verder, een nummer dat mijn afgelopen week weerspiegelt, en toevallig ook nog eens geweldig is. Luister het en proef de zomer. Ofzo.
Adios~

No comments:
Post a Comment